Schurft
maandag 4 maart 2019
maandag 30 april 2018
I - Wiegervaringen.
We zeggen en schrijven 30 juni van het jaar des Heren 1955. Een zomerse donderdag. De lucht was half tot zwaar bewolkt en die dag werden er 9 uren zon genoteerd. Een matige tot vrij krachtige wind blies er door de straatjes wanneer er ten huize 'Van Dongen' een taxi werd besteld om ons Ma naar het moederhuis te brengen. Maria Kettermans zou gaan bevallen van haar 5de kind. De taxi bracht haar naar het Mariagasthuis in Berchem. Toen nog een onvervalst nonnenbastion. Een imposant gebouw in de Berchemse Vredestraat met een witmarmeren inkomhal, akelig smeedwerk aan poorten en deuren die je aan een 17de eeuwse gevangenis deden denken, binnen overwegend fletse kleuren en tot in het kleinste godvergeten hoekje doorregen van een etherlucht. Stel je daar nog wat nonnen bij voor in zwart habijt en kolossale witte kappen die door de metershoge gangen laveerden en de angst bekruipt je. Was je niet ziek, dan werd je het daar wel. Gebouwd in eclectisch neorenaissancestijl maakte dat een angstwekkende indruk. Zowel op zieken als op hun bezoekers. Onze zoon Kristof is daar een kleine 40 jaar geleden ook nog geboren. Het moederhuis was daar ondertussen wel vernieuwd en die zwartrokken waren grotendeels verdwenen. Kort erna in 1988 is het een woon en zorgcentrum voor ouderlingen geworden. Aan de achterkant van het ziekenhuis patrouilleerde er toen een luguber ventje, Ketje genaamd. Hij was onderhoudsman in het ziekenhuis en werd toentertijd ervan verdacht necrofiele neigingen te hebben.
Na meer dan 20 jaar vergeefse efforts geleverd te hebben op het gebied van de voortplanting was het mijn vader eindelijk gelukt om na 4 meisjes een mannelijke telg het levenslicht te laten aanschouwen. Dit tot grote blijdschap van hemzelf en ons Ma die hun Magnum Opus in vervulling zagen gaan. Veel zal ons Ma van haar pasgeboren boeleke niet gezien hebben want zowel haar zwangerschap als de bevalling liepen niet van een leien dakje. Daar kom ik nog wel op terug. Maar ik vermoed dat onze Va, die brave mens, bij dit titanenwerk zijn eigen biologische ouderdom een beetje uit het oog moet verloren hebben. Zijn oudste dochter Suzanne die ik, alhoewel ik nog niet kon klappen, vanaf mijn geboorte-uur mijn oudste zus kon noemen kon best mijn moeder geweest zijn. Bijna 20 jaar leeftijdsverschil. Enig vergelijkend rekenwerk op latere leeftijd tussen de huwelijksdatum mijner ouders en de geboortedag van ons Tat leerde me dat zij de vrucht was van voorhuwelijkse betrekkingen. Mijn vader had dus een beestje in ons ma haar oor geblazen. 't Moet van alle tijden geweest zijn. Ons Tatteke, dat werd de roepnaam van ons Suzanne na mijn geboorte. Blijkbaar had ik moeite met het uitspreken van haar naam. 'Tat' lag makkelijker in de kindermond en dat is tot heden ten dage zo gebleven.
Het verloop van zwangerschap en bevalling van ons ma moet volgens mij ergens in de annalen van de medische literatuur geboekstaaft staan. Misschien wel in de toonaangevende Lancet. In de verloskamer moest er een 'doktoor' aan te pas komen en het was de jonge Dr. Godts die de honneurs moest waarnemen. Hij werd er op het laatste moment bijgeroepen want, zoals reeds vermeld, er waren vodden. De boreling in spe had geen zin om op de gebruikelijke manier het leven in te stappen. Een keizersnede kwam er aan te pas die de pas afgestudeerde 'doktoor' maar voor de 2de keer in zijn medische carrière uitvoeren zou. Het liep helemaal niet zoals gepland en er dienden aan ons ma ettelijke liters bloed toegediend te worden. Mijn geboortegewicht, dat naar de 5 kilo neigde zal wel mee aan de basis gelegen hebben van deze complicaties. Er werd gezegd dat ons Ma Het Heilig Oliesel werd toegediend. Het laatste Sacrament waar, volgens de katholieke lering, de stervenden recht op hebben. Maar ons Ma was nog uit stevig hout gesneden. Gelukkig maar en ons Ma kwam er door. Onze Va die die in die penibele momenten een bloedeed had gezworen hield zich aan zijn woord. "Als ons Mar hier door spartelt dan word ik bloedgever". Hij werd bloedgever.
Met "Door jou ben ik door het oog van de naald gekropen" refereerde ons Ma graag naar mijn geboorte in minder plezierige situaties. Ik was toen al groter en kreeg dit tot in den treure te horen bij balorig gedrag mijnentwege. En wanneer dit helemaal niet door haar beugel kon ontbrak het niet aan schokkende details bij die vermaningen. Met het opvoedkundig succes dat hiermee geboekt werd, werd meteen ook bij mij een kiem gelegd. De kiem van de manipulatie als wapen waarbij je anderen een schuldgevoel wil aanpraten wanneer je in een conflict of discussie het onderspit dreigt te delven. Er zouden nog andere educatieve methoden volgen die ter discussie zouden kunnen gesteld worden. Maar deze is al niet meteen de meest aanbevelenswaardige. Toch niet meer in dit tijdperk. Foei !
M'n sterrenbeeld bij de geboorte voorspelde nochthans een kommerloos bestaan. Het loog er verdorie niet om ! Kreeft met ascendant Schorpioen. Daar willen er veel voor tekenen. Ik zou wel opgemerkt worden maar nooit in de kijker lopen met die ascendant. Zowel Mars als Uranus schitterden die dag in de Kreeft en dat betekende dat het manneke geen agressieveling zou worden maar eerder behoefte zou hebben aan geborgenheid en huiselijkheid. Pluto en Jupiter in de Leeuw legden dan weer de behoeften in me bloot om, eens groot en volwassen, mezelf waar te maken. Met Venus en Mercurius in de Tweelingen kleurde het hemelspan iets minder roze. Weinig stabiliteit in het liefdesleven maar dan weer wel een brede interesse in van alles en nog wat. Dit laatste zou me dan weer beperken om een uitblinker te worden op één bepaald vlak. Neptunus badend in de Weegschaal zou voor veel dromen zorgen. Dromen over veel geld, lijflijke genoegens en pretbeleving. Hier kunnen de astrologen hun gelijk halen. Het is bij dromen gebleven. De leugenaars.
Aangezien ik als boreling nog niet al te veel pretentie moest hebben, diende ik me tevreden te stellen met de nieuwe gezinssamenstelling zijnde nummer 5 en tegelijkertijd de definitieve afsluiter van een serie nakomelingen. Misschien wel het 5de spreekwoordelijke wiel aan de wagen. Eerst waren er andere zorgen. Het manneke moest een naam krijgen. Wat dacht je van 'Jan' ? Deze keuze werd volgens ons Ma afgewogen aan het gebruiksgemak en geïnspireerd door het motto 'Kort en Krachtig'. Op latere leeftijd begon ik me wat te interesseren in het reilen en zeilen van mijn voorouderen. Bij mijn geboorte was er van de 4 nog maar 1 in leven. Ons moemoe, ooit grootgebracht in een Franse kostschool. Het was tijdens zo een vlaag van ongebreidelde interesse in de voorouderlijke geschiedenis dat ik te horen kreeg dat mijn grootvader langs onze va zijn kant met de naam 'Jan Zat' door het leven was gegaan. De link naar de marginaliteit was vlug gelegd. Met die genen uit dat DNA was ik ook al begenadigd. Dat me dan ook nog de naam 'Jan' werd bedacht bewees dat de keuze 'Kort en Krachtig' een leugen was. Nee, het bestaan zou nog meer leugens onthullen. Ik moest me daar voor hoeden.
De wederhelft van Jan Zat, mijn grootmoeder langs vaders kant dus, was Ons Groot. Dat mens heb ik nooit gekend want ze stierf kort voor mijn geboorte. Volgens één van mijn zussen was het een heel braaf mens. Een volksmens dat reeds van op haar 7 jaar moest gaan dienen in een rijke familie. Ze kon op die leeftijd zelfs haar werkschortje nog niet zelf dichtknopen. Niettegenstaande ze nooit naar school is geweest was ze helemaal niet dom. Ze stal kennis met haar ogen. Ze observeerde de kennissen van 'Meneer en Madame' en merkte dat wanneer ze de krant wilden lezen daarvoor een bril opzetten. Daaruit concludeerde ze dat je met een bril op te zetten misschien zou kunnen lezen ? Zo heeft ze zichzelf leren lezen. En later troffen mijn zussen haar lectuur aan wanneer ze haar een bezoekje brachten. Geen Jerry Cottons lagen daar maar serieuze turven van Dostojewski en Emile Zola. Ze woonde in een kelderwoning dat mens. Onder de naam Marie van 't Kelderke was ze gekend in haar buurt. Een volksbuurt, de Kwetterwei genaamd. Ik vermoed dat die buurt zich ergens situeerde in de Handelstraat in Antwerpen. Nu een buurt die hoofdzakelijk Maghrebijnse bewoners huisvesting biedt. Zo mijn roots worden hiermee al aan één kant blootgelegd. De andere had ook zijn charme !
Zo, de naam voor dat ventje was gekend en de uitverkorenen om respectievelijk Peter en Meter te worden waren dat eveneens. Mijn meter zou de zus van onze Va worden. Marie een dochter van Ons Groot. Dat was dikke Tante Marie. Ik vrees dat dat mens meer dan 150kg woog ocharme. Vroeger jaren moet ze een heel knap meisje geweest zijn met donkere karbonkelogen en ravenzwarte lokken. Dat ze daarmee aantrek had bij de haantje de voorstes leed geen twijfel. Cois van Breedam, haar man en tevens kleurrijk volksfiguur, moet die kwaliteiten in zich gehad hebben. Althans, dat werd me verteld. Tijdens de oorlog liep hij met revolvers over de daken vertelde zijn kleinzoon Gie me ooit. Jarenlang was hij portier geweest in de Sans Soucis. Dit etablissement was een stripteasebar van 'niveau' waar hij veel geld verdiende en er evenveel liet rollen. Trek de gordijnen dicht, doe de deur op slot en laat ze dan allemaal maar eens voor mij dansen. Op zijn sterfbed in een huizeke van de Lange Batterijstraat, eigendom van de toenmalige Openbare Onderstand blies hij laatste adem uit met de glimlach op de lippen. 3 spaarboeken lagen onder zijn kopkussen. Op elk boekje stond welgeteld 1 frank spaargeld. Hij maakte een bij zijn sterfbed aanwezig nonneke attent op de erfenis die hij voor de bruiden van Christus in petto had en wees daarbij pragmatisch naar zijn kopkussen. Toen ze de boekjes onder het kussen uitgristte vertelde hij haar dat hij zo graag haar smoeleke wilde zien glunderen als ze haar buit taxeerde ! Straffe mannen daar uit die hoek van mijn familie. De Cois stierf met de glimlach.
Kwatongen beweerden tijdens de bezetting dat Tante Marie met den Duits te doen had gehad. Ik kan het niet weten maar ik vond het een smakelijk mens en bewonderde fel haar werptechniek met flessen limonade naar de 'Gie'. Dat was haar kleinzoon. Door haar gewicht kon ze hem niet achternazitten als hij niet wou luisteren. Een fles Colibri of Vigna Limonade met nog zo'n stenen kantelstop en rood rubberen afsluitringetje stonden steeds naast haar zetel. Het waren uitgelezen projectielen die binnen haar handbereik lagen. Voor de Gie had ze de zorg nadat haar dochter Yvonne enkele scheefgelopen relaties achter de rug had. Ik noemde haar Tante Yvonne want, wist ik toen veel dat ze eigenlijk een nicht was. Ik mocht haar geen tante meer noemen van mijn moeder. Dat was te familiair. Tante Yvonne, een lief mens die het grootste deel van haar leven met een kwakkele gezondheid af te rekenen had. Alle miserie was voor haar begonnen met pillen te nemen voor een dieetkuur. Ook zij had aanleg om de corpulente toer op te gaan net zoals haar moeder. Een kwakzalver zou haar pillen aan de hand hebben gedaan met de koppen van een lintworm er in. Toen zou de miserie begonnen zijn. Ik citeer maar van horen vertellen. Gie haar zoon was enkele jaren ouder dan ik. Ik benijdde hem later in mijn vroege jeugd wel om zijn tot de jongensfantazie sprekend speelgoed. Loodjesrevolvers, bommekes, cowboykleren, dinky toys, diabololoodjes, pennemessen en pistonnekes. Hetgeen me nog het meest de ogen uitstak was zijne mecano. Voor zoiets was er bij ons geen geld en volgens ons Ma waren 'pennemessen en looikesrevolver's' het gerief van 'soort' en straatjoeng. Ons Ma pakte wanneer ze er de kans toe zag dat 'speelgoed' dan ook af. Dat verdween dan steevast ergens in een rioolputteke zodat teruggave niet meer mogelijk was. Het bevorderde geenszins de verstandhouding tussen ons Ma en Tante Marie. De Gie maar bleiten natuurlijk om het geleden onrecht wat hem uiteindelijk weer een fles limonade naar zijn kop kostte omdat hij niet meer wilde ophouden met zagen. Ik denk niet dat ons Ma in de Gie zijn bovenste schuif heeft gelegen.
Onze Gie zijn biologische vader Paul Heylen, waarschijnlijk toen nog de wettige echtgenoot van Tante Yvonne, zou mijn peter worden. Tante Marie en Paul haar toenmalige schoonzoon ... Peter en Meter dus. De doopplechtigheid vond plaats in de kapel van het Mariagasthuis. Een doopfeestje zal er wel niet af gekund hebben. Tante Marie moet het zowat verkorven hebben bij mijn moeder want volgens haar kon er nog geen 'koemeke koffe' af bij een bezoekje. Bovendien stuurde mijn peter zijn kat naar de hele ceremonie. Toen ik wat groter was en vragen begon te stellen werd mij gezegd dat ik geen peter had maar een lap peter, een symbolische vervanger. Wie dat dan weer was heb ik nooit geweten. Ik mocht niet te veel vragen stellen rond familiekwesties en moest leren mijn manieren te houden. Die familiezaken hebben vanuit het standpunt van ons ma altijd nogal vrij gevoelig gelegen. Zeker op deze van de aangetrouwde kant liet ze zich nogal laatdunkend uit. Ik heb nooit anders geweten. Ik vermoed dat haar houding ten opzichte van het volksere karakter van de aangetrouwde kant en haar uitspraken over hen me onbewust hebben gevoed met de foute opvatting dat afkomst en opleiding bepalend zijn voor het gehalte aan menselijkheid dat elk individu in zich meedraagt. Ach, weet je veel als je pas geboren bent ! Later zouden er nog richtlijnen bijkomen hoe je je tegenover 'Dat soort volk' moest opstellen.
Mijn wieg heeft in de houten huizekes van Berchem gestaan. Van een paleis kan je moeilijk spreken. En als ik al een wieg had, ik kan het me niet meer herinneren. De houten huizekes waren eveneens een arbeiderswijk. Deze wijk lag in de uitbreidingstraat zo ongeveer tussen Berchem Kerk en de oprit naar de E19 iets verderop. Ze hebben moeten wijken bij de aanleg van de Ring rond Antwerpen. Lang heb ik er niet gewoond want kort daarop werd er verhuisd naar de Leemputstraat achter de statie van Berchem. Voor de omgeving kon ons Tatteke, het leeftijdsverschil in acht genomen, best mijn moeder zijn ! Kwaadsprekerij in de buurt stak de kop op. Maar toen, nog volop in mijn prille postnatale leeftijd, kon ik mij nog niet veel aantrekken van de kwalijke allusies die gemaakt werden door buren en kennissen.
Daar in die Leemputstraat waren een vijftigtal "sociale woningen", opgetrokken door de "Naamlooze Bouwmaatschappij van Burgershuizen van het Oosten" ten behoeve van kleine bedienden en beter gesitueerde arbeiders, Het betrof eenheidsbebouwing in neoclassicistische stijl waarvan de oudste reeks huizen, Leemputstraat 35-73, werd aangevraagd in 1890. Wij woonden in 41. Mijn 2de oudste zus, ons Mariette, woont nog steeds in die straat. Ze heeft er trouwens haar man leren kennen, die woonde in 28. Nog steeds wordt daar wanneer er naar mensen wordt gevraagd, direct een link gelegd met een huisnummer. Wie meneer ? Ha, dat is die van 52 ... en zijn moeder woont in 39. Heb je hem nodig ? Ga dan maar eens bellen bij die van 54, daar zit hij gewoonlijk. Grappige toestand. Die oude huisjes zijn nu volledig gerenoveerd en zijn veel geld waard.
Daar stonden ze nu in de Leemputstraat Ons Ma en Onze Va met hun 4 dochters en ne kleine bleiter. M'n jongste zuster, nog geen 2 jaar ouder, vroeg ook nog alle aandacht. Ons Tat de oudste liep al op vrijersvoeten en had trouwplannen , ons Mariette, 2 jaar jonger dan ons Tat, zag het volgens mij helemaal niet meer zitten. Ons Marietteke ... kon ik ook niet gezegd krijgen en dat werd 'Petteke' Je moet weten dat Ons Ma wat last had van hypochondrische trekjes die te pas en te onpas werden aangehaald om de oudste dochters in de rol van surrogaatmoeders te duwen. Aan de hand van ladingen 'Poeierkes De Man' ten huize Jan moesten de gezinsleden de fysieke toestand van ons Ma kunnen inschatten en zich dienovereenkomstig gedragen. Draainissen was het toverwoord en poeierkes opgelost in een glaasje water de toverdrank. Waarschijnlijk zal de zorg over ons 2-jarig 'Teirdeke', dat was ons Gerda haar koosnaampje, reeds flink op ons Petteke haar centraal zenuwsysteem gewerkt hebben. Mijn komst daar bovenop moet de druppel geweest zijn om het ouderlijk dak vaarwel te zeggen. De mogelijke druppel kon misschien wel gezocht worden in een melkstoop. Bij het vervangen van mijne pisdoek door ons Annie, zus nr3, moet ik een straal in de melkstoop hebben gelost. Ons Annie niks gezegd en achteraf moet ons Mariette van die melk hebben gedronken. Was dit de druppel en tegelijkertijd de reden maar ze ging dienen bij een Jodin. Zo was ze van dat "lastig joenk en dienen bleiter" vanaf. Lang heeft ze haar liedje daar niet gezongen want na een paar dagen jammerde ze om terug te mogen komen. Ze moest er de vuile was en nog allerhande smerig werk doen van dat Joods gezin en dat gedoe lag zowaar nog een paar treden hoger dan de drempel van haar verdraagzaamheid. Ze mocht terug komen van ons Ma. Nu, ik verschiet dat die vlieger opging.
En toch, ons ma zorgde goed voor haar kinderen. Heel goed zelfs. Ik kan niet geloven dat ik ooit een papfles zou gemist hebben of een truike te weinig aan zou gehad hebben bij kouder weer. Nee, ons Ma zorgde er wel voor dat er geen gemis was in de basisbehoeften van haar kleinste mannen. Ze was een kloek voor haar kindjes. Zolang ze klein waren gedroeg ze zich als een leeuwin die vechtensklaar haar welpjes beschermd. En heel bezorgd. Nooit een klets gehad in deze periode. Jalouzie stak op wanneer vreemden haar klein mannen wilden aanhalen of nog maar simpelweg over hun bolleke streelde. Ze moesten met hun poten van haar kinderen blijven. Ja ze was een koesterende moeder voor haar kroost ! Maar ze mochten niet groot worden. Ze moesten klein blijven. Het woord "fastide" dat al eens in de huiskamer weerklonk en over mijn wieg waaide was voor mij nog weinig betekenisvol. Het sloeg dan wel op mijn zussen maar het werd toch al in de paar hersencellen die ik ter beschikking had geregistreerd. Er werd al volop aan een blauwdruk gewerkt in dat breintje. In die prille periode van mijn bestaan kan ik me jammer genoeg het bestaan van een vader niet herinneren. Het benul ontbrak en negatieve connotaties al helemaal. Nooit een hoog woord opgevangen daar in die wieg. Dat was dan toch positief. Hij vertrok vroeg en kwam laat terug van de fabriek. Dankzij een boterbriefje van de pastoor kon hij na de oorlog aan de slag op den Bell. Hij bracht tot de laatste cent die hij verdiende naar zijn kroost en verteerde deze niet aan drank zoals hij thuis zo vaak moet gezien hebben.
Na de kunst van het stappen in de beentjes te hebben zou in m'n onwetendheid stilletjesaan wat verandering komen en kon het besef rijpen van over een vader te beschikken.
De wederhelft van Jan Zat, mijn grootmoeder langs vaders kant dus, was Ons Groot. Dat mens heb ik nooit gekend want ze stierf kort voor mijn geboorte. Volgens één van mijn zussen was het een heel braaf mens. Een volksmens dat reeds van op haar 7 jaar moest gaan dienen in een rijke familie. Ze kon op die leeftijd zelfs haar werkschortje nog niet zelf dichtknopen. Niettegenstaande ze nooit naar school is geweest was ze helemaal niet dom. Ze stal kennis met haar ogen. Ze observeerde de kennissen van 'Meneer en Madame' en merkte dat wanneer ze de krant wilden lezen daarvoor een bril opzetten. Daaruit concludeerde ze dat je met een bril op te zetten misschien zou kunnen lezen ? Zo heeft ze zichzelf leren lezen. En later troffen mijn zussen haar lectuur aan wanneer ze haar een bezoekje brachten. Geen Jerry Cottons lagen daar maar serieuze turven van Dostojewski en Emile Zola. Ze woonde in een kelderwoning dat mens. Onder de naam Marie van 't Kelderke was ze gekend in haar buurt. Een volksbuurt, de Kwetterwei genaamd. Ik vermoed dat die buurt zich ergens situeerde in de Handelstraat in Antwerpen. Nu een buurt die hoofdzakelijk Maghrebijnse bewoners huisvesting biedt. Zo mijn roots worden hiermee al aan één kant blootgelegd. De andere had ook zijn charme !
Zo, de naam voor dat ventje was gekend en de uitverkorenen om respectievelijk Peter en Meter te worden waren dat eveneens. Mijn meter zou de zus van onze Va worden. Marie een dochter van Ons Groot. Dat was dikke Tante Marie. Ik vrees dat dat mens meer dan 150kg woog ocharme. Vroeger jaren moet ze een heel knap meisje geweest zijn met donkere karbonkelogen en ravenzwarte lokken. Dat ze daarmee aantrek had bij de haantje de voorstes leed geen twijfel. Cois van Breedam, haar man en tevens kleurrijk volksfiguur, moet die kwaliteiten in zich gehad hebben. Althans, dat werd me verteld. Tijdens de oorlog liep hij met revolvers over de daken vertelde zijn kleinzoon Gie me ooit. Jarenlang was hij portier geweest in de Sans Soucis. Dit etablissement was een stripteasebar van 'niveau' waar hij veel geld verdiende en er evenveel liet rollen. Trek de gordijnen dicht, doe de deur op slot en laat ze dan allemaal maar eens voor mij dansen. Op zijn sterfbed in een huizeke van de Lange Batterijstraat, eigendom van de toenmalige Openbare Onderstand blies hij laatste adem uit met de glimlach op de lippen. 3 spaarboeken lagen onder zijn kopkussen. Op elk boekje stond welgeteld 1 frank spaargeld. Hij maakte een bij zijn sterfbed aanwezig nonneke attent op de erfenis die hij voor de bruiden van Christus in petto had en wees daarbij pragmatisch naar zijn kopkussen. Toen ze de boekjes onder het kussen uitgristte vertelde hij haar dat hij zo graag haar smoeleke wilde zien glunderen als ze haar buit taxeerde ! Straffe mannen daar uit die hoek van mijn familie. De Cois stierf met de glimlach.
Kwatongen beweerden tijdens de bezetting dat Tante Marie met den Duits te doen had gehad. Ik kan het niet weten maar ik vond het een smakelijk mens en bewonderde fel haar werptechniek met flessen limonade naar de 'Gie'. Dat was haar kleinzoon. Door haar gewicht kon ze hem niet achternazitten als hij niet wou luisteren. Een fles Colibri of Vigna Limonade met nog zo'n stenen kantelstop en rood rubberen afsluitringetje stonden steeds naast haar zetel. Het waren uitgelezen projectielen die binnen haar handbereik lagen. Voor de Gie had ze de zorg nadat haar dochter Yvonne enkele scheefgelopen relaties achter de rug had. Ik noemde haar Tante Yvonne want, wist ik toen veel dat ze eigenlijk een nicht was. Ik mocht haar geen tante meer noemen van mijn moeder. Dat was te familiair. Tante Yvonne, een lief mens die het grootste deel van haar leven met een kwakkele gezondheid af te rekenen had. Alle miserie was voor haar begonnen met pillen te nemen voor een dieetkuur. Ook zij had aanleg om de corpulente toer op te gaan net zoals haar moeder. Een kwakzalver zou haar pillen aan de hand hebben gedaan met de koppen van een lintworm er in. Toen zou de miserie begonnen zijn. Ik citeer maar van horen vertellen. Gie haar zoon was enkele jaren ouder dan ik. Ik benijdde hem later in mijn vroege jeugd wel om zijn tot de jongensfantazie sprekend speelgoed. Loodjesrevolvers, bommekes, cowboykleren, dinky toys, diabololoodjes, pennemessen en pistonnekes. Hetgeen me nog het meest de ogen uitstak was zijne mecano. Voor zoiets was er bij ons geen geld en volgens ons Ma waren 'pennemessen en looikesrevolver's' het gerief van 'soort' en straatjoeng. Ons Ma pakte wanneer ze er de kans toe zag dat 'speelgoed' dan ook af. Dat verdween dan steevast ergens in een rioolputteke zodat teruggave niet meer mogelijk was. Het bevorderde geenszins de verstandhouding tussen ons Ma en Tante Marie. De Gie maar bleiten natuurlijk om het geleden onrecht wat hem uiteindelijk weer een fles limonade naar zijn kop kostte omdat hij niet meer wilde ophouden met zagen. Ik denk niet dat ons Ma in de Gie zijn bovenste schuif heeft gelegen.
Onze Gie zijn biologische vader Paul Heylen, waarschijnlijk toen nog de wettige echtgenoot van Tante Yvonne, zou mijn peter worden. Tante Marie en Paul haar toenmalige schoonzoon ... Peter en Meter dus. De doopplechtigheid vond plaats in de kapel van het Mariagasthuis. Een doopfeestje zal er wel niet af gekund hebben. Tante Marie moet het zowat verkorven hebben bij mijn moeder want volgens haar kon er nog geen 'koemeke koffe' af bij een bezoekje. Bovendien stuurde mijn peter zijn kat naar de hele ceremonie. Toen ik wat groter was en vragen begon te stellen werd mij gezegd dat ik geen peter had maar een lap peter, een symbolische vervanger. Wie dat dan weer was heb ik nooit geweten. Ik mocht niet te veel vragen stellen rond familiekwesties en moest leren mijn manieren te houden. Die familiezaken hebben vanuit het standpunt van ons ma altijd nogal vrij gevoelig gelegen. Zeker op deze van de aangetrouwde kant liet ze zich nogal laatdunkend uit. Ik heb nooit anders geweten. Ik vermoed dat haar houding ten opzichte van het volksere karakter van de aangetrouwde kant en haar uitspraken over hen me onbewust hebben gevoed met de foute opvatting dat afkomst en opleiding bepalend zijn voor het gehalte aan menselijkheid dat elk individu in zich meedraagt. Ach, weet je veel als je pas geboren bent ! Later zouden er nog richtlijnen bijkomen hoe je je tegenover 'Dat soort volk' moest opstellen.
Mijn wieg heeft in de houten huizekes van Berchem gestaan. Van een paleis kan je moeilijk spreken. En als ik al een wieg had, ik kan het me niet meer herinneren. De houten huizekes waren eveneens een arbeiderswijk. Deze wijk lag in de uitbreidingstraat zo ongeveer tussen Berchem Kerk en de oprit naar de E19 iets verderop. Ze hebben moeten wijken bij de aanleg van de Ring rond Antwerpen. Lang heb ik er niet gewoond want kort daarop werd er verhuisd naar de Leemputstraat achter de statie van Berchem. Voor de omgeving kon ons Tatteke, het leeftijdsverschil in acht genomen, best mijn moeder zijn ! Kwaadsprekerij in de buurt stak de kop op. Maar toen, nog volop in mijn prille postnatale leeftijd, kon ik mij nog niet veel aantrekken van de kwalijke allusies die gemaakt werden door buren en kennissen.
Daar in die Leemputstraat waren een vijftigtal "sociale woningen", opgetrokken door de "Naamlooze Bouwmaatschappij van Burgershuizen van het Oosten" ten behoeve van kleine bedienden en beter gesitueerde arbeiders, Het betrof eenheidsbebouwing in neoclassicistische stijl waarvan de oudste reeks huizen, Leemputstraat 35-73, werd aangevraagd in 1890. Wij woonden in 41. Mijn 2de oudste zus, ons Mariette, woont nog steeds in die straat. Ze heeft er trouwens haar man leren kennen, die woonde in 28. Nog steeds wordt daar wanneer er naar mensen wordt gevraagd, direct een link gelegd met een huisnummer. Wie meneer ? Ha, dat is die van 52 ... en zijn moeder woont in 39. Heb je hem nodig ? Ga dan maar eens bellen bij die van 54, daar zit hij gewoonlijk. Grappige toestand. Die oude huisjes zijn nu volledig gerenoveerd en zijn veel geld waard.
Daar stonden ze nu in de Leemputstraat Ons Ma en Onze Va met hun 4 dochters en ne kleine bleiter. M'n jongste zuster, nog geen 2 jaar ouder, vroeg ook nog alle aandacht. Ons Tat de oudste liep al op vrijersvoeten en had trouwplannen , ons Mariette, 2 jaar jonger dan ons Tat, zag het volgens mij helemaal niet meer zitten. Ons Marietteke ... kon ik ook niet gezegd krijgen en dat werd 'Petteke' Je moet weten dat Ons Ma wat last had van hypochondrische trekjes die te pas en te onpas werden aangehaald om de oudste dochters in de rol van surrogaatmoeders te duwen. Aan de hand van ladingen 'Poeierkes De Man' ten huize Jan moesten de gezinsleden de fysieke toestand van ons Ma kunnen inschatten en zich dienovereenkomstig gedragen. Draainissen was het toverwoord en poeierkes opgelost in een glaasje water de toverdrank. Waarschijnlijk zal de zorg over ons 2-jarig 'Teirdeke', dat was ons Gerda haar koosnaampje, reeds flink op ons Petteke haar centraal zenuwsysteem gewerkt hebben. Mijn komst daar bovenop moet de druppel geweest zijn om het ouderlijk dak vaarwel te zeggen. De mogelijke druppel kon misschien wel gezocht worden in een melkstoop. Bij het vervangen van mijne pisdoek door ons Annie, zus nr3, moet ik een straal in de melkstoop hebben gelost. Ons Annie niks gezegd en achteraf moet ons Mariette van die melk hebben gedronken. Was dit de druppel en tegelijkertijd de reden maar ze ging dienen bij een Jodin. Zo was ze van dat "lastig joenk en dienen bleiter" vanaf. Lang heeft ze haar liedje daar niet gezongen want na een paar dagen jammerde ze om terug te mogen komen. Ze moest er de vuile was en nog allerhande smerig werk doen van dat Joods gezin en dat gedoe lag zowaar nog een paar treden hoger dan de drempel van haar verdraagzaamheid. Ze mocht terug komen van ons Ma. Nu, ik verschiet dat die vlieger opging.
En toch, ons ma zorgde goed voor haar kinderen. Heel goed zelfs. Ik kan niet geloven dat ik ooit een papfles zou gemist hebben of een truike te weinig aan zou gehad hebben bij kouder weer. Nee, ons Ma zorgde er wel voor dat er geen gemis was in de basisbehoeften van haar kleinste mannen. Ze was een kloek voor haar kindjes. Zolang ze klein waren gedroeg ze zich als een leeuwin die vechtensklaar haar welpjes beschermd. En heel bezorgd. Nooit een klets gehad in deze periode. Jalouzie stak op wanneer vreemden haar klein mannen wilden aanhalen of nog maar simpelweg over hun bolleke streelde. Ze moesten met hun poten van haar kinderen blijven. Ja ze was een koesterende moeder voor haar kroost ! Maar ze mochten niet groot worden. Ze moesten klein blijven. Het woord "fastide" dat al eens in de huiskamer weerklonk en over mijn wieg waaide was voor mij nog weinig betekenisvol. Het sloeg dan wel op mijn zussen maar het werd toch al in de paar hersencellen die ik ter beschikking had geregistreerd. Er werd al volop aan een blauwdruk gewerkt in dat breintje. In die prille periode van mijn bestaan kan ik me jammer genoeg het bestaan van een vader niet herinneren. Het benul ontbrak en negatieve connotaties al helemaal. Nooit een hoog woord opgevangen daar in die wieg. Dat was dan toch positief. Hij vertrok vroeg en kwam laat terug van de fabriek. Dankzij een boterbriefje van de pastoor kon hij na de oorlog aan de slag op den Bell. Hij bracht tot de laatste cent die hij verdiende naar zijn kroost en verteerde deze niet aan drank zoals hij thuis zo vaak moet gezien hebben.
Na de kunst van het stappen in de beentjes te hebben zou in m'n onwetendheid stilletjesaan wat verandering komen en kon het besef rijpen van over een vader te beschikken.
zaterdag 28 april 2018
II - Papschoolblues
Ik bleef niet in mijn wieg liggen en dankzij de goede zorgen, al dan niet onder dwang van ons Ma aan mijn 2 oudste zussen opgelegd, doorliep ik probleemloos de stadia van platte meutte tot een stapperke. Ik veronderstel dat het woord peuter destijds nog niet bestond. Kruipen, fruitpap, leren lopen en op het potteke gaan. Spreken ging ook al mondjesmaat maar daar kwamen al vlug voorwaarden aan te pas.
Al vlug was ik de kinderpap ontgroeid en zorgde de kar van "Soep van Boom" voor de vervanging ervan en tegelijkertijd voor de nodige vitaminen. Ik heb nooit honger gekend dankzij de Soep van Boom, het legendarische soepbedrijf dat Lie Van Huyk tijdens de Eerste Wereldoorlog samen met haar man Jef Van Boom oprichtte. Lie kon niet langer passief toekijken hoe haar buurt honger leed en zette ze haar trots opzij en trok scheel van de honger met haar vier kinderen, in positie van een vijfde, naar het Antwerpse stadsbestuur. Daar kreeg ze 250 frank en kocht er een soeppot en schenkels mee. Buiten Lie haar ondernemersmentaliteit zie ik veel overeenkomsten met ons Ma. Lie verkocht van dan af in haar beenhouwerij voedzame bouillon tegen een lage prijs. Na een tijdje bracht ze die 250 frank terug naar het stadsbestuur dat danig onder de indruk was want die som centen waren een schenking en geen lening. Voortaan mocht ze leveren aan scholen. In de decennia die volgden groeide Soep Van Boom uit tot een waar soepimperium dat in de wijde omtrek soep verkocht. Lie, 'moemoe', was een echte volksfiguur en samen met haar flamboyante kroost zette ze geregeld ook de buurt op stelten. Nostalgische figuren die de stad van vroeger jaren kleurden, dat waren het.
Jawel armoede, het is van alle tijden. Echte armoede heb ik nooit gekend maar de centen werden thuis wel heel zorgvuldig geteld ! Kinderen kosten geld. Later gehoord dat elk kind voor een eigen huis staat. Ik heb het nooit willen natellen en zou het niet willen ook niet. Er waren dus centen nodig en zeker met de fabriekspree van ons Va konden die thuis niet over de balk gegooid worden. Suzanneke en Marietje gingen ondertussen werken en gaven mooi hun pree af thuis. Ikzelf was later hetzelfde lot beschoren en moest tot mijn grote ergernis eveneens mijn pree tot de laatste frank afgeven. Voor de huidige generaties was deze gang van zaken totaal onbegrijpelijk. Voor mij toen trouwens ook niet maar ik heb het overleefd. Al goed, de tijdsgeest verandert en blijft niet in fles onder een stop zitten zoals Aladin dat deed.
M'n 2de levensjaar werd zorgvuldig in die wieg afgerond en ondertussen kon ik al lopen. En rap ook ! Bij een uitstap naar Schoten Heidebad met wijlen Tante Julia en haar eveneens wijlen teerbeminde Nonkel Frans sprong ik de vaart in. Nonkel Frans is me nog achternagesprongen. Tante Julia was een zuster van ons Ma. Ook daar kom ik later nog eens op terug.
Spreken lukte ook al met vlagen maar ons Ma verlangde iets meer. Ik zou al ineens hebben moeten kunnen spreken zoals de grote mensen dat deden. De beginnende vocale resultaten geuit in kinder- of paptaal waren niet voor mij besteed. Ineens de klap van een grote jongen moest ons Ma horen. Een echte jongen spreekt niet zoals een klein ventje. Durfde ik wel in die rol hervallen dan werd er me een in het vooruitzicht gestelde beloning ontzegd. 'Gene Ovomaltine als ge niet goed spreekt' orakelde ons ma. Toch straf dat zoiets in je herinnering blijft hangen.
Deze restrictie gold niet voor het uitspreken van de namen van mijn zussen. Ik vermoed dan ook dat niet ik maar mijn jongste zus hiervoor heeft getekend. Tat, Petteke dat kon niet van mij komen. De lat werd op vocabulair niveau ineens hoog voor mij gelegd. Het enige woord dat mocht uitgesproken worden was het woordje 'dong'. Misschien wel omdat het in mijn achternaam verscholen lag ? Hoe naïef, neenee, een dong was een kookgarde die ik aanzag als een geweer en dan ostentatief schouderde zoals een geweer wanneer er het volgende oude en vergeten liedje werd aangeheven.
'Jan is soldaat en hij moet gaan exerceren !
'Jan is soldaat en hij gooit zijn broek op straat !
Wacht een beetje, wacht een beetje ...
Ik zal u eens komen halen !
Wacht een beetje, wacht een beetje ...
Ik zal het eens komen doen !
Nee het woordje 'dong' werd zonder problemen getolereerd. Ik marcheerde als een geprogrammeerde robot met mijn erzats geweer ontelbare rondjes om de tafel. En opnieuw en opnieuw, ze bleven maar zingen en ik maar marcheren. Nee 'dong' mocht nog juist van mijn moeder, ze beleefde er zelf veel te veel plezier aan om me daar op af te rekenen. En echte jongens ... worden dat ook geen soldaten ? Zelfs chokotofs of smurrie dat nog aan die kookgarde plakte waren geen beletsel om er mee rond de tafel te exerceren. Die zaken vond je dan na afloop van het gemarcheer keurig uitgesmeerd terug in mijn nek.
Gezien spaarzaamheid een deugd betrof werd deze hoedanigheid gretig toegepast in het ouderlijke huis. Daar is zelfs nu nog helemaal niets fout mee want omarmen we nu niet een beetje teveel de wegwerpmaatschappij ? Toen niet hoor, kleergoed dat nog dienen kon werd niet weggegooid. Gelukkig was ik een jongen en hoefde ik de afdragertjes van mijn zussen niet te dragen. Tot op zekere hoogte wel te verstaan. Op barboteusen en nachtkledij na. In een bed zag immers niemand of ik een japon of pyama aanhad. Met dit argument probeerde on Ma me te overhalen. Het lukte niet dus dan maar manu militari ... die te kleine nachtjapons van mijn zusters werden mijn deel. Moord en brand schreeuwde ik. En ik moest een echte jongen zijn van ons Ma ! En dan dit ! 20 jaar verzuchtingen moest de kleine Jan ineens inlossen en daar deed hij zo hard zijn best voor. En dan komen ze af met die nachtjapon waar ik niet vanonder kon ! Niet één wit haar, ik was immers een wittekop, dat daar vrede mee zou nemen. Mijn eerste genderconflict was geboren. Ik weet nog wel dat ik die nacht niet geslapen heb. Horror met een hoofdletter werd er in mijn ziel gebrand. Er er zou vlug er nog één volgen : Ons Tat, mijn tweede moeder zou gaan trouwen.
Ik voelde me verraden. M'n 2de moeder zou me verlaten. Het verstand om dit te vatten had ik nog niet maar ik voelde het aan. Net zoals een kleine bij zijn 1ste schooldag in de papklas. Zo een manneke heeft ook een onbevattelijk gevoel rond zijn lijfje hangen dat hem het wenen nader brengt. Gelukkig had ik mijn Finelio, een opgeblazen blauwgroene knuffel die een kruising tussen een eend en zwaan moest voorstellen. Op dit beest moeten mijn eerste pogingen van schuldverhaal uitgeprobeerd zijn. Ik kon Finelio met schuld opzadelen. Je moet weten dat beest kon praten. Althans, ik dacht dat. Finelio kon alleen praten door de buik van de aanstaande man van ons Tat, onzen Domien. Het was doorstoken kaart en Finelio vertelde beuzelarijen en probeerde me van mijn stuk te krijgen. Uit onmacht wrong ik hem dan de nek om wat hem op de duur een onherstelbare hernia opleverde. Er zat een krook in zijn nek die er nooit meer is uitgegaan. Ook bij het aanvoelen van het verlies van ons Tat werd zijn nek meermaals omgedraaid. Het was zijn schuld en ik was niet bij machte het hem uit te leggen.
Ons Moemoe breide mijn kostuum voor die trouw. Breien en kousen stoppen kon ze als de beste. Dat had ze nog geleerd in de Franse kostschool waar ze op jonge leeftijd als weeskind werd opgevoed. Ze leerden daar zelfs zakdoeken strijken. Haar ouders moeten wel gefortuneerd zijn geweest om uit de erfenis de kosten te kunnen betalen voor een kostschool voor 3 kinderen. Zij, tante Vitje en nonkel Henri. Van hun 6 tot hun 21 jaar. Dat moet een bom geld geweest zijn. Als ze 21 waren werden ze gelost. Ons Moemoe kwam vanuit Kortrijk naar Antwerpen afgezakt en waaide er aan een dokwerker. Het contrast kon niet groter ! Opgevoed door nonnen en door de eerste de beste vent, nen dokwerker dan nog wel, de koffer in. Ward, ik heb hem niet gekend, al jaren dood toen ik werd geboren. Een fotootje van hem vertelde me dat hij in een rolstoel zat. Getroffen door een beroerte. Afgaande op de verhalen die ik van ons Ma en m'n tante Julia, haar zus, opving zoop haar vader eveneens de repen van het vat en moest ze hem geregeld uit de kroeg gaan halen. Dat was in de kroeg van zijn zus Marie. Geen Dikke tante Marie maar Tante Marie van 't Staminee. Ons Ma, een jaar of 12 toen, moest geregeld met de 'voiture' een toerke gaan wandelen met Marcelleke. Dat was het zoontje van tante Marie. Als beloning hing daar een reep chocolade van de 'Martougin' aan vast. Toen ze ooit na zo een wandelingetje eens terug kwam nadat ze Marcelleke helemaal had kaalgeschoren zal ze waarschijnlijk gene reep gekregen hebben. Ach ja, mensen dronken waarschijnlijk uit miserie. Ook m'n eigen vrouw Annick moest haar grootvader, een koolputter in de Borinage, uit de kroeg gaan halen wanneer het eten klaar stond.
Die Franse kostschool in Kortrijk moet een elitaire instelling geweest zijn. Sur le pont d'Avignon on y danse, on y danse ... werd er geleerd terwijl arm Vlaanderen pap lepelde en als het er was, enkel vader een stukje vlees kreeg. Ook daar in dat pensionaat heerste er ijzeren tucht en die nonnen zorgden er wel voor dat die rijke kinderzieltjes gesmeed en gehard werden op het aambeeld der vermeende superioriteit. Je hebt werkmensen en welstellenden en het is God die wil dat er onderscheid gemaakt wordt. Dat moet er bij mijn moeder met de paplepel zijn ingegoten. Als je bij de beenhouwer gaat, zo declameerde ooit mijn moeder tegen een buurvrouw, dan spreek je Frans. Je zult zien dat je dan altijd mals vlees krijgt. Frans spreken stond ook bij ons Ma gelijk met standing hebben en dan kon je iets afdwingen. Nog altijd herinner ik me ons Moemoe haar uitspraak : Iemand met een klak op zijn kop, daar draait ge uwe kop van weg. Voor iemand met een hoed, maak je een buiging. Waarschijnlijk was ze zelf een uitzondering op die regel gezien ze scheep ging met een dokwerker. Voortdurend lag ons moemoe op vinkenslag om er over te waken dat het met mij de juiste richting zou uitgaan. Van kindsbeen af ! Ons ma werd regelmatig gewaarschuwd : Maria, je moogt dat manneke niet van den teut van de melkfles laten drinken. Dat gaat later ne zatlap worden of ze trapte mijn soldatenkevers dood waar ik zo graag mee speelde op het trottoir voor de deur. Ze scheldde me toen uit voor vuil straatjoenk. Finelio kreeg dan de zoveelste wurging te verduren. Speelgoed had ik niet op Finelio, een bolderkar en een trapautoke na. 1 keer is Sinterklaas geweest maar dan was ik al wat groter, die bracht een Coca Cola camion. Maar ik lzou liegen, van dikke tante Marie heb ik eens een autoke gekregen met een raketteke er op. De enigste kado die ik van mijn meter in ontvangst mocht nemen. Afgaande op haar gierigheid zal ze dat wel van de Gie geschaveeld hebben. Die had speelgoed in overvloed. En ja, ik zou het vergeten .... rond een jaar of 12 een vlieger van ons Va om er op de Wolvenberg mee te gaan spelen.
Ik loop vooruit. Ons moemoe was mijn kostuum voor m'n zus haar trouw aan het breien. In grijze wol alstublieft. Geheel in lijn met de spaarzaamheidsregels werd deze wol wol gerecupereerd van de één of ander uitgetrokken werkeloze trui want dat broekske pikte aan mijn gat. Ik werd er hoorndul van. En opnieuw kreeg ik geen gelijk, ik moest dat aantrekken en verder geen commentaar.
Al vlug was ik de kinderpap ontgroeid en zorgde de kar van "Soep van Boom" voor de vervanging ervan en tegelijkertijd voor de nodige vitaminen. Ik heb nooit honger gekend dankzij de Soep van Boom, het legendarische soepbedrijf dat Lie Van Huyk tijdens de Eerste Wereldoorlog samen met haar man Jef Van Boom oprichtte. Lie kon niet langer passief toekijken hoe haar buurt honger leed en zette ze haar trots opzij en trok scheel van de honger met haar vier kinderen, in positie van een vijfde, naar het Antwerpse stadsbestuur. Daar kreeg ze 250 frank en kocht er een soeppot en schenkels mee. Buiten Lie haar ondernemersmentaliteit zie ik veel overeenkomsten met ons Ma. Lie verkocht van dan af in haar beenhouwerij voedzame bouillon tegen een lage prijs. Na een tijdje bracht ze die 250 frank terug naar het stadsbestuur dat danig onder de indruk was want die som centen waren een schenking en geen lening. Voortaan mocht ze leveren aan scholen. In de decennia die volgden groeide Soep Van Boom uit tot een waar soepimperium dat in de wijde omtrek soep verkocht. Lie, 'moemoe', was een echte volksfiguur en samen met haar flamboyante kroost zette ze geregeld ook de buurt op stelten. Nostalgische figuren die de stad van vroeger jaren kleurden, dat waren het.
Jawel armoede, het is van alle tijden. Echte armoede heb ik nooit gekend maar de centen werden thuis wel heel zorgvuldig geteld ! Kinderen kosten geld. Later gehoord dat elk kind voor een eigen huis staat. Ik heb het nooit willen natellen en zou het niet willen ook niet. Er waren dus centen nodig en zeker met de fabriekspree van ons Va konden die thuis niet over de balk gegooid worden. Suzanneke en Marietje gingen ondertussen werken en gaven mooi hun pree af thuis. Ikzelf was later hetzelfde lot beschoren en moest tot mijn grote ergernis eveneens mijn pree tot de laatste frank afgeven. Voor de huidige generaties was deze gang van zaken totaal onbegrijpelijk. Voor mij toen trouwens ook niet maar ik heb het overleefd. Al goed, de tijdsgeest verandert en blijft niet in fles onder een stop zitten zoals Aladin dat deed.
M'n 2de levensjaar werd zorgvuldig in die wieg afgerond en ondertussen kon ik al lopen. En rap ook ! Bij een uitstap naar Schoten Heidebad met wijlen Tante Julia en haar eveneens wijlen teerbeminde Nonkel Frans sprong ik de vaart in. Nonkel Frans is me nog achternagesprongen. Tante Julia was een zuster van ons Ma. Ook daar kom ik later nog eens op terug.
Spreken lukte ook al met vlagen maar ons Ma verlangde iets meer. Ik zou al ineens hebben moeten kunnen spreken zoals de grote mensen dat deden. De beginnende vocale resultaten geuit in kinder- of paptaal waren niet voor mij besteed. Ineens de klap van een grote jongen moest ons Ma horen. Een echte jongen spreekt niet zoals een klein ventje. Durfde ik wel in die rol hervallen dan werd er me een in het vooruitzicht gestelde beloning ontzegd. 'Gene Ovomaltine als ge niet goed spreekt' orakelde ons ma. Toch straf dat zoiets in je herinnering blijft hangen.
Deze restrictie gold niet voor het uitspreken van de namen van mijn zussen. Ik vermoed dan ook dat niet ik maar mijn jongste zus hiervoor heeft getekend. Tat, Petteke dat kon niet van mij komen. De lat werd op vocabulair niveau ineens hoog voor mij gelegd. Het enige woord dat mocht uitgesproken worden was het woordje 'dong'. Misschien wel omdat het in mijn achternaam verscholen lag ? Hoe naïef, neenee, een dong was een kookgarde die ik aanzag als een geweer en dan ostentatief schouderde zoals een geweer wanneer er het volgende oude en vergeten liedje werd aangeheven.
'Jan is soldaat en hij moet gaan exerceren !
'Jan is soldaat en hij gooit zijn broek op straat !
Wacht een beetje, wacht een beetje ...
Ik zal u eens komen halen !
Wacht een beetje, wacht een beetje ...
Ik zal het eens komen doen !
Nee het woordje 'dong' werd zonder problemen getolereerd. Ik marcheerde als een geprogrammeerde robot met mijn erzats geweer ontelbare rondjes om de tafel. En opnieuw en opnieuw, ze bleven maar zingen en ik maar marcheren. Nee 'dong' mocht nog juist van mijn moeder, ze beleefde er zelf veel te veel plezier aan om me daar op af te rekenen. En echte jongens ... worden dat ook geen soldaten ? Zelfs chokotofs of smurrie dat nog aan die kookgarde plakte waren geen beletsel om er mee rond de tafel te exerceren. Die zaken vond je dan na afloop van het gemarcheer keurig uitgesmeerd terug in mijn nek.
Gezien spaarzaamheid een deugd betrof werd deze hoedanigheid gretig toegepast in het ouderlijke huis. Daar is zelfs nu nog helemaal niets fout mee want omarmen we nu niet een beetje teveel de wegwerpmaatschappij ? Toen niet hoor, kleergoed dat nog dienen kon werd niet weggegooid. Gelukkig was ik een jongen en hoefde ik de afdragertjes van mijn zussen niet te dragen. Tot op zekere hoogte wel te verstaan. Op barboteusen en nachtkledij na. In een bed zag immers niemand of ik een japon of pyama aanhad. Met dit argument probeerde on Ma me te overhalen. Het lukte niet dus dan maar manu militari ... die te kleine nachtjapons van mijn zusters werden mijn deel. Moord en brand schreeuwde ik. En ik moest een echte jongen zijn van ons Ma ! En dan dit ! 20 jaar verzuchtingen moest de kleine Jan ineens inlossen en daar deed hij zo hard zijn best voor. En dan komen ze af met die nachtjapon waar ik niet vanonder kon ! Niet één wit haar, ik was immers een wittekop, dat daar vrede mee zou nemen. Mijn eerste genderconflict was geboren. Ik weet nog wel dat ik die nacht niet geslapen heb. Horror met een hoofdletter werd er in mijn ziel gebrand. Er er zou vlug er nog één volgen : Ons Tat, mijn tweede moeder zou gaan trouwen.
Ik voelde me verraden. M'n 2de moeder zou me verlaten. Het verstand om dit te vatten had ik nog niet maar ik voelde het aan. Net zoals een kleine bij zijn 1ste schooldag in de papklas. Zo een manneke heeft ook een onbevattelijk gevoel rond zijn lijfje hangen dat hem het wenen nader brengt. Gelukkig had ik mijn Finelio, een opgeblazen blauwgroene knuffel die een kruising tussen een eend en zwaan moest voorstellen. Op dit beest moeten mijn eerste pogingen van schuldverhaal uitgeprobeerd zijn. Ik kon Finelio met schuld opzadelen. Je moet weten dat beest kon praten. Althans, ik dacht dat. Finelio kon alleen praten door de buik van de aanstaande man van ons Tat, onzen Domien. Het was doorstoken kaart en Finelio vertelde beuzelarijen en probeerde me van mijn stuk te krijgen. Uit onmacht wrong ik hem dan de nek om wat hem op de duur een onherstelbare hernia opleverde. Er zat een krook in zijn nek die er nooit meer is uitgegaan. Ook bij het aanvoelen van het verlies van ons Tat werd zijn nek meermaals omgedraaid. Het was zijn schuld en ik was niet bij machte het hem uit te leggen.
Ons Moemoe breide mijn kostuum voor die trouw. Breien en kousen stoppen kon ze als de beste. Dat had ze nog geleerd in de Franse kostschool waar ze op jonge leeftijd als weeskind werd opgevoed. Ze leerden daar zelfs zakdoeken strijken. Haar ouders moeten wel gefortuneerd zijn geweest om uit de erfenis de kosten te kunnen betalen voor een kostschool voor 3 kinderen. Zij, tante Vitje en nonkel Henri. Van hun 6 tot hun 21 jaar. Dat moet een bom geld geweest zijn. Als ze 21 waren werden ze gelost. Ons Moemoe kwam vanuit Kortrijk naar Antwerpen afgezakt en waaide er aan een dokwerker. Het contrast kon niet groter ! Opgevoed door nonnen en door de eerste de beste vent, nen dokwerker dan nog wel, de koffer in. Ward, ik heb hem niet gekend, al jaren dood toen ik werd geboren. Een fotootje van hem vertelde me dat hij in een rolstoel zat. Getroffen door een beroerte. Afgaande op de verhalen die ik van ons Ma en m'n tante Julia, haar zus, opving zoop haar vader eveneens de repen van het vat en moest ze hem geregeld uit de kroeg gaan halen. Dat was in de kroeg van zijn zus Marie. Geen Dikke tante Marie maar Tante Marie van 't Staminee. Ons Ma, een jaar of 12 toen, moest geregeld met de 'voiture' een toerke gaan wandelen met Marcelleke. Dat was het zoontje van tante Marie. Als beloning hing daar een reep chocolade van de 'Martougin' aan vast. Toen ze ooit na zo een wandelingetje eens terug kwam nadat ze Marcelleke helemaal had kaalgeschoren zal ze waarschijnlijk gene reep gekregen hebben. Ach ja, mensen dronken waarschijnlijk uit miserie. Ook m'n eigen vrouw Annick moest haar grootvader, een koolputter in de Borinage, uit de kroeg gaan halen wanneer het eten klaar stond.
Die Franse kostschool in Kortrijk moet een elitaire instelling geweest zijn. Sur le pont d'Avignon on y danse, on y danse ... werd er geleerd terwijl arm Vlaanderen pap lepelde en als het er was, enkel vader een stukje vlees kreeg. Ook daar in dat pensionaat heerste er ijzeren tucht en die nonnen zorgden er wel voor dat die rijke kinderzieltjes gesmeed en gehard werden op het aambeeld der vermeende superioriteit. Je hebt werkmensen en welstellenden en het is God die wil dat er onderscheid gemaakt wordt. Dat moet er bij mijn moeder met de paplepel zijn ingegoten. Als je bij de beenhouwer gaat, zo declameerde ooit mijn moeder tegen een buurvrouw, dan spreek je Frans. Je zult zien dat je dan altijd mals vlees krijgt. Frans spreken stond ook bij ons Ma gelijk met standing hebben en dan kon je iets afdwingen. Nog altijd herinner ik me ons Moemoe haar uitspraak : Iemand met een klak op zijn kop, daar draait ge uwe kop van weg. Voor iemand met een hoed, maak je een buiging. Waarschijnlijk was ze zelf een uitzondering op die regel gezien ze scheep ging met een dokwerker. Voortdurend lag ons moemoe op vinkenslag om er over te waken dat het met mij de juiste richting zou uitgaan. Van kindsbeen af ! Ons ma werd regelmatig gewaarschuwd : Maria, je moogt dat manneke niet van den teut van de melkfles laten drinken. Dat gaat later ne zatlap worden of ze trapte mijn soldatenkevers dood waar ik zo graag mee speelde op het trottoir voor de deur. Ze scheldde me toen uit voor vuil straatjoenk. Finelio kreeg dan de zoveelste wurging te verduren. Speelgoed had ik niet op Finelio, een bolderkar en een trapautoke na. 1 keer is Sinterklaas geweest maar dan was ik al wat groter, die bracht een Coca Cola camion. Maar ik lzou liegen, van dikke tante Marie heb ik eens een autoke gekregen met een raketteke er op. De enigste kado die ik van mijn meter in ontvangst mocht nemen. Afgaande op haar gierigheid zal ze dat wel van de Gie geschaveeld hebben. Die had speelgoed in overvloed. En ja, ik zou het vergeten .... rond een jaar of 12 een vlieger van ons Va om er op de Wolvenberg mee te gaan spelen.
Ik loop vooruit. Ons moemoe was mijn kostuum voor m'n zus haar trouw aan het breien. In grijze wol alstublieft. Geheel in lijn met de spaarzaamheidsregels werd deze wol wol gerecupereerd van de één of ander uitgetrokken werkeloze trui want dat broekske pikte aan mijn gat. Ik werd er hoorndul van. En opnieuw kreeg ik geen gelijk, ik moest dat aantrekken en verder geen commentaar.
Kinderkleren ... ja dat was een dure post in het huishouden van vader Van Dongen. Ik breng nog even de japons van m'n oudere zussen in herinnering. Het trauma was te groot.
De dag dat m'n zus vertrok werd er een hoofdstuk in m'n leven afgesloten.
De dag dat m'n zus vertrok werd er een hoofdstuk in m'n leven afgesloten.
Abonneren op:
Reacties (Atom)