We zeggen en schrijven 30 juni van het jaar des Heren 1955. Een zomerse donderdag. De lucht was half tot zwaar bewolkt en die dag werden er 9 uren zon genoteerd. Een matige tot vrij krachtige wind blies er door de straatjes wanneer er ten huize 'Van Dongen' een taxi werd besteld om ons Ma naar het moederhuis te brengen. Maria Kettermans zou gaan bevallen van haar 5de kind. De taxi bracht haar naar het Mariagasthuis in Berchem. Toen nog een onvervalst nonnenbastion. Een imposant gebouw in de Berchemse Vredestraat met een witmarmeren inkomhal, akelig smeedwerk aan poorten en deuren die je aan een 17de eeuwse gevangenis deden denken, binnen overwegend fletse kleuren en tot in het kleinste godvergeten hoekje doorregen van een etherlucht. Stel je daar nog wat nonnen bij voor in zwart habijt en kolossale witte kappen die door de metershoge gangen laveerden en de angst bekruipt je. Was je niet ziek, dan werd je het daar wel. Gebouwd in eclectisch neorenaissancestijl maakte dat een angstwekkende indruk. Zowel op zieken als op hun bezoekers. Onze zoon Kristof is daar een kleine 40 jaar geleden ook nog geboren. Het moederhuis was daar ondertussen wel vernieuwd en die zwartrokken waren grotendeels verdwenen. Kort erna in 1988 is het een woon en zorgcentrum voor ouderlingen geworden. Aan de achterkant van het ziekenhuis patrouilleerde er toen een luguber ventje, Ketje genaamd. Hij was onderhoudsman in het ziekenhuis en werd toentertijd ervan verdacht necrofiele neigingen te hebben.
Na meer dan 20 jaar vergeefse efforts geleverd te hebben op het gebied van de voortplanting was het mijn vader eindelijk gelukt om na 4 meisjes een mannelijke telg het levenslicht te laten aanschouwen. Dit tot grote blijdschap van hemzelf en ons Ma die hun Magnum Opus in vervulling zagen gaan. Veel zal ons Ma van haar pasgeboren boeleke niet gezien hebben want zowel haar zwangerschap als de bevalling liepen niet van een leien dakje. Daar kom ik nog wel op terug. Maar ik vermoed dat onze Va, die brave mens, bij dit titanenwerk zijn eigen biologische ouderdom een beetje uit het oog moet verloren hebben. Zijn oudste dochter Suzanne die ik, alhoewel ik nog niet kon klappen, vanaf mijn geboorte-uur mijn oudste zus kon noemen kon best mijn moeder geweest zijn. Bijna 20 jaar leeftijdsverschil. Enig vergelijkend rekenwerk op latere leeftijd tussen de huwelijksdatum mijner ouders en de geboortedag van ons Tat leerde me dat zij de vrucht was van voorhuwelijkse betrekkingen. Mijn vader had dus een beestje in ons ma haar oor geblazen. 't Moet van alle tijden geweest zijn. Ons Tatteke, dat werd de roepnaam van ons Suzanne na mijn geboorte. Blijkbaar had ik moeite met het uitspreken van haar naam. 'Tat' lag makkelijker in de kindermond en dat is tot heden ten dage zo gebleven.
Het verloop van zwangerschap en bevalling van ons ma moet volgens mij ergens in de annalen van de medische literatuur geboekstaaft staan. Misschien wel in de toonaangevende Lancet. In de verloskamer moest er een 'doktoor' aan te pas komen en het was de jonge Dr. Godts die de honneurs moest waarnemen. Hij werd er op het laatste moment bijgeroepen want, zoals reeds vermeld, er waren vodden. De boreling in spe had geen zin om op de gebruikelijke manier het leven in te stappen. Een keizersnede kwam er aan te pas die de pas afgestudeerde 'doktoor' maar voor de 2de keer in zijn medische carrière uitvoeren zou. Het liep helemaal niet zoals gepland en er dienden aan ons ma ettelijke liters bloed toegediend te worden. Mijn geboortegewicht, dat naar de 5 kilo neigde zal wel mee aan de basis gelegen hebben van deze complicaties. Er werd gezegd dat ons Ma Het Heilig Oliesel werd toegediend. Het laatste Sacrament waar, volgens de katholieke lering, de stervenden recht op hebben. Maar ons Ma was nog uit stevig hout gesneden. Gelukkig maar en ons Ma kwam er door. Onze Va die die in die penibele momenten een bloedeed had gezworen hield zich aan zijn woord. "Als ons Mar hier door spartelt dan word ik bloedgever". Hij werd bloedgever.
Met "Door jou ben ik door het oog van de naald gekropen" refereerde ons Ma graag naar mijn geboorte in minder plezierige situaties. Ik was toen al groter en kreeg dit tot in den treure te horen bij balorig gedrag mijnentwege. En wanneer dit helemaal niet door haar beugel kon ontbrak het niet aan schokkende details bij die vermaningen. Met het opvoedkundig succes dat hiermee geboekt werd, werd meteen ook bij mij een kiem gelegd. De kiem van de manipulatie als wapen waarbij je anderen een schuldgevoel wil aanpraten wanneer je in een conflict of discussie het onderspit dreigt te delven. Er zouden nog andere educatieve methoden volgen die ter discussie zouden kunnen gesteld worden. Maar deze is al niet meteen de meest aanbevelenswaardige. Toch niet meer in dit tijdperk. Foei !
M'n sterrenbeeld bij de geboorte voorspelde nochthans een kommerloos bestaan. Het loog er verdorie niet om ! Kreeft met ascendant Schorpioen. Daar willen er veel voor tekenen. Ik zou wel opgemerkt worden maar nooit in de kijker lopen met die ascendant. Zowel Mars als Uranus schitterden die dag in de Kreeft en dat betekende dat het manneke geen agressieveling zou worden maar eerder behoefte zou hebben aan geborgenheid en huiselijkheid. Pluto en Jupiter in de Leeuw legden dan weer de behoeften in me bloot om, eens groot en volwassen, mezelf waar te maken. Met Venus en Mercurius in de Tweelingen kleurde het hemelspan iets minder roze. Weinig stabiliteit in het liefdesleven maar dan weer wel een brede interesse in van alles en nog wat. Dit laatste zou me dan weer beperken om een uitblinker te worden op één bepaald vlak. Neptunus badend in de Weegschaal zou voor veel dromen zorgen. Dromen over veel geld, lijflijke genoegens en pretbeleving. Hier kunnen de astrologen hun gelijk halen. Het is bij dromen gebleven. De leugenaars.
Aangezien ik als boreling nog niet al te veel pretentie moest hebben, diende ik me tevreden te stellen met de nieuwe gezinssamenstelling zijnde nummer 5 en tegelijkertijd de definitieve afsluiter van een serie nakomelingen. Misschien wel het 5de spreekwoordelijke wiel aan de wagen. Eerst waren er andere zorgen. Het manneke moest een naam krijgen. Wat dacht je van 'Jan' ? Deze keuze werd volgens ons Ma afgewogen aan het gebruiksgemak en geïnspireerd door het motto 'Kort en Krachtig'. Op latere leeftijd begon ik me wat te interesseren in het reilen en zeilen van mijn voorouderen. Bij mijn geboorte was er van de 4 nog maar 1 in leven. Ons moemoe, ooit grootgebracht in een Franse kostschool. Het was tijdens zo een vlaag van ongebreidelde interesse in de voorouderlijke geschiedenis dat ik te horen kreeg dat mijn grootvader langs onze va zijn kant met de naam 'Jan Zat' door het leven was gegaan. De link naar de marginaliteit was vlug gelegd. Met die genen uit dat DNA was ik ook al begenadigd. Dat me dan ook nog de naam 'Jan' werd bedacht bewees dat de keuze 'Kort en Krachtig' een leugen was. Nee, het bestaan zou nog meer leugens onthullen. Ik moest me daar voor hoeden.
De wederhelft van Jan Zat, mijn grootmoeder langs vaders kant dus, was Ons Groot. Dat mens heb ik nooit gekend want ze stierf kort voor mijn geboorte. Volgens één van mijn zussen was het een heel braaf mens. Een volksmens dat reeds van op haar 7 jaar moest gaan dienen in een rijke familie. Ze kon op die leeftijd zelfs haar werkschortje nog niet zelf dichtknopen. Niettegenstaande ze nooit naar school is geweest was ze helemaal niet dom. Ze stal kennis met haar ogen. Ze observeerde de kennissen van 'Meneer en Madame' en merkte dat wanneer ze de krant wilden lezen daarvoor een bril opzetten. Daaruit concludeerde ze dat je met een bril op te zetten misschien zou kunnen lezen ? Zo heeft ze zichzelf leren lezen. En later troffen mijn zussen haar lectuur aan wanneer ze haar een bezoekje brachten. Geen Jerry Cottons lagen daar maar serieuze turven van Dostojewski en Emile Zola. Ze woonde in een kelderwoning dat mens. Onder de naam Marie van 't Kelderke was ze gekend in haar buurt. Een volksbuurt, de Kwetterwei genaamd. Ik vermoed dat die buurt zich ergens situeerde in de Handelstraat in Antwerpen. Nu een buurt die hoofdzakelijk Maghrebijnse bewoners huisvesting biedt. Zo mijn roots worden hiermee al aan één kant blootgelegd. De andere had ook zijn charme !
Zo, de naam voor dat ventje was gekend en de uitverkorenen om respectievelijk Peter en Meter te worden waren dat eveneens. Mijn meter zou de zus van onze Va worden. Marie een dochter van Ons Groot. Dat was dikke Tante Marie. Ik vrees dat dat mens meer dan 150kg woog ocharme. Vroeger jaren moet ze een heel knap meisje geweest zijn met donkere karbonkelogen en ravenzwarte lokken. Dat ze daarmee aantrek had bij de haantje de voorstes leed geen twijfel. Cois van Breedam, haar man en tevens kleurrijk volksfiguur, moet die kwaliteiten in zich gehad hebben. Althans, dat werd me verteld. Tijdens de oorlog liep hij met revolvers over de daken vertelde zijn kleinzoon Gie me ooit. Jarenlang was hij portier geweest in de Sans Soucis. Dit etablissement was een stripteasebar van 'niveau' waar hij veel geld verdiende en er evenveel liet rollen. Trek de gordijnen dicht, doe de deur op slot en laat ze dan allemaal maar eens voor mij dansen. Op zijn sterfbed in een huizeke van de Lange Batterijstraat, eigendom van de toenmalige Openbare Onderstand blies hij laatste adem uit met de glimlach op de lippen. 3 spaarboeken lagen onder zijn kopkussen. Op elk boekje stond welgeteld 1 frank spaargeld. Hij maakte een bij zijn sterfbed aanwezig nonneke attent op de erfenis die hij voor de bruiden van Christus in petto had en wees daarbij pragmatisch naar zijn kopkussen. Toen ze de boekjes onder het kussen uitgristte vertelde hij haar dat hij zo graag haar smoeleke wilde zien glunderen als ze haar buit taxeerde ! Straffe mannen daar uit die hoek van mijn familie. De Cois stierf met de glimlach.
Kwatongen beweerden tijdens de bezetting dat Tante Marie met den Duits te doen had gehad. Ik kan het niet weten maar ik vond het een smakelijk mens en bewonderde fel haar werptechniek met flessen limonade naar de 'Gie'. Dat was haar kleinzoon. Door haar gewicht kon ze hem niet achternazitten als hij niet wou luisteren. Een fles Colibri of Vigna Limonade met nog zo'n stenen kantelstop en rood rubberen afsluitringetje stonden steeds naast haar zetel. Het waren uitgelezen projectielen die binnen haar handbereik lagen. Voor de Gie had ze de zorg nadat haar dochter Yvonne enkele scheefgelopen relaties achter de rug had. Ik noemde haar Tante Yvonne want, wist ik toen veel dat ze eigenlijk een nicht was. Ik mocht haar geen tante meer noemen van mijn moeder. Dat was te familiair. Tante Yvonne, een lief mens die het grootste deel van haar leven met een kwakkele gezondheid af te rekenen had. Alle miserie was voor haar begonnen met pillen te nemen voor een dieetkuur. Ook zij had aanleg om de corpulente toer op te gaan net zoals haar moeder. Een kwakzalver zou haar pillen aan de hand hebben gedaan met de koppen van een lintworm er in. Toen zou de miserie begonnen zijn. Ik citeer maar van horen vertellen. Gie haar zoon was enkele jaren ouder dan ik. Ik benijdde hem later in mijn vroege jeugd wel om zijn tot de jongensfantazie sprekend speelgoed. Loodjesrevolvers, bommekes, cowboykleren, dinky toys, diabololoodjes, pennemessen en pistonnekes. Hetgeen me nog het meest de ogen uitstak was zijne mecano. Voor zoiets was er bij ons geen geld en volgens ons Ma waren 'pennemessen en looikesrevolver's' het gerief van 'soort' en straatjoeng. Ons Ma pakte wanneer ze er de kans toe zag dat 'speelgoed' dan ook af. Dat verdween dan steevast ergens in een rioolputteke zodat teruggave niet meer mogelijk was. Het bevorderde geenszins de verstandhouding tussen ons Ma en Tante Marie. De Gie maar bleiten natuurlijk om het geleden onrecht wat hem uiteindelijk weer een fles limonade naar zijn kop kostte omdat hij niet meer wilde ophouden met zagen. Ik denk niet dat ons Ma in de Gie zijn bovenste schuif heeft gelegen.
Onze Gie zijn biologische vader Paul Heylen, waarschijnlijk toen nog de wettige echtgenoot van Tante Yvonne, zou mijn peter worden. Tante Marie en Paul haar toenmalige schoonzoon ... Peter en Meter dus. De doopplechtigheid vond plaats in de kapel van het Mariagasthuis. Een doopfeestje zal er wel niet af gekund hebben. Tante Marie moet het zowat verkorven hebben bij mijn moeder want volgens haar kon er nog geen 'koemeke koffe' af bij een bezoekje. Bovendien stuurde mijn peter zijn kat naar de hele ceremonie. Toen ik wat groter was en vragen begon te stellen werd mij gezegd dat ik geen peter had maar een lap peter, een symbolische vervanger. Wie dat dan weer was heb ik nooit geweten. Ik mocht niet te veel vragen stellen rond familiekwesties en moest leren mijn manieren te houden. Die familiezaken hebben vanuit het standpunt van ons ma altijd nogal vrij gevoelig gelegen. Zeker op deze van de aangetrouwde kant liet ze zich nogal laatdunkend uit. Ik heb nooit anders geweten. Ik vermoed dat haar houding ten opzichte van het volksere karakter van de aangetrouwde kant en haar uitspraken over hen me onbewust hebben gevoed met de foute opvatting dat afkomst en opleiding bepalend zijn voor het gehalte aan menselijkheid dat elk individu in zich meedraagt. Ach, weet je veel als je pas geboren bent ! Later zouden er nog richtlijnen bijkomen hoe je je tegenover 'Dat soort volk' moest opstellen.
Mijn wieg heeft in de houten huizekes van Berchem gestaan. Van een paleis kan je moeilijk spreken. En als ik al een wieg had, ik kan het me niet meer herinneren. De houten huizekes waren eveneens een arbeiderswijk. Deze wijk lag in de uitbreidingstraat zo ongeveer tussen Berchem Kerk en de oprit naar de E19 iets verderop. Ze hebben moeten wijken bij de aanleg van de Ring rond Antwerpen. Lang heb ik er niet gewoond want kort daarop werd er verhuisd naar de Leemputstraat achter de statie van Berchem. Voor de omgeving kon ons Tatteke, het leeftijdsverschil in acht genomen, best mijn moeder zijn ! Kwaadsprekerij in de buurt stak de kop op. Maar toen, nog volop in mijn prille postnatale leeftijd, kon ik mij nog niet veel aantrekken van de kwalijke allusies die gemaakt werden door buren en kennissen.
Daar in die Leemputstraat waren een vijftigtal "sociale woningen", opgetrokken door de "Naamlooze Bouwmaatschappij van Burgershuizen van het Oosten" ten behoeve van kleine bedienden en beter gesitueerde arbeiders, Het betrof eenheidsbebouwing in neoclassicistische stijl waarvan de oudste reeks huizen, Leemputstraat 35-73, werd aangevraagd in 1890. Wij woonden in 41. Mijn 2de oudste zus, ons Mariette, woont nog steeds in die straat. Ze heeft er trouwens haar man leren kennen, die woonde in 28. Nog steeds wordt daar wanneer er naar mensen wordt gevraagd, direct een link gelegd met een huisnummer. Wie meneer ? Ha, dat is die van 52 ... en zijn moeder woont in 39. Heb je hem nodig ? Ga dan maar eens bellen bij die van 54, daar zit hij gewoonlijk. Grappige toestand. Die oude huisjes zijn nu volledig gerenoveerd en zijn veel geld waard.
Daar stonden ze nu in de Leemputstraat Ons Ma en Onze Va met hun 4 dochters en ne kleine bleiter. M'n jongste zuster, nog geen 2 jaar ouder, vroeg ook nog alle aandacht. Ons Tat de oudste liep al op vrijersvoeten en had trouwplannen , ons Mariette, 2 jaar jonger dan ons Tat, zag het volgens mij helemaal niet meer zitten. Ons Marietteke ... kon ik ook niet gezegd krijgen en dat werd 'Petteke' Je moet weten dat Ons Ma wat last had van hypochondrische trekjes die te pas en te onpas werden aangehaald om de oudste dochters in de rol van surrogaatmoeders te duwen. Aan de hand van ladingen 'Poeierkes De Man' ten huize Jan moesten de gezinsleden de fysieke toestand van ons Ma kunnen inschatten en zich dienovereenkomstig gedragen. Draainissen was het toverwoord en poeierkes opgelost in een glaasje water de toverdrank. Waarschijnlijk zal de zorg over ons 2-jarig 'Teirdeke', dat was ons Gerda haar koosnaampje, reeds flink op ons Petteke haar centraal zenuwsysteem gewerkt hebben. Mijn komst daar bovenop moet de druppel geweest zijn om het ouderlijk dak vaarwel te zeggen. De mogelijke druppel kon misschien wel gezocht worden in een melkstoop. Bij het vervangen van mijne pisdoek door ons Annie, zus nr3, moet ik een straal in de melkstoop hebben gelost. Ons Annie niks gezegd en achteraf moet ons Mariette van die melk hebben gedronken. Was dit de druppel en tegelijkertijd de reden maar ze ging dienen bij een Jodin. Zo was ze van dat "lastig joenk en dienen bleiter" vanaf. Lang heeft ze haar liedje daar niet gezongen want na een paar dagen jammerde ze om terug te mogen komen. Ze moest er de vuile was en nog allerhande smerig werk doen van dat Joods gezin en dat gedoe lag zowaar nog een paar treden hoger dan de drempel van haar verdraagzaamheid. Ze mocht terug komen van ons Ma. Nu, ik verschiet dat die vlieger opging.
En toch, ons ma zorgde goed voor haar kinderen. Heel goed zelfs. Ik kan niet geloven dat ik ooit een papfles zou gemist hebben of een truike te weinig aan zou gehad hebben bij kouder weer. Nee, ons Ma zorgde er wel voor dat er geen gemis was in de basisbehoeften van haar kleinste mannen. Ze was een kloek voor haar kindjes. Zolang ze klein waren gedroeg ze zich als een leeuwin die vechtensklaar haar welpjes beschermd. En heel bezorgd. Nooit een klets gehad in deze periode. Jalouzie stak op wanneer vreemden haar klein mannen wilden aanhalen of nog maar simpelweg over hun bolleke streelde. Ze moesten met hun poten van haar kinderen blijven. Ja ze was een koesterende moeder voor haar kroost ! Maar ze mochten niet groot worden. Ze moesten klein blijven. Het woord "fastide" dat al eens in de huiskamer weerklonk en over mijn wieg waaide was voor mij nog weinig betekenisvol. Het sloeg dan wel op mijn zussen maar het werd toch al in de paar hersencellen die ik ter beschikking had geregistreerd. Er werd al volop aan een blauwdruk gewerkt in dat breintje. In die prille periode van mijn bestaan kan ik me jammer genoeg het bestaan van een vader niet herinneren. Het benul ontbrak en negatieve connotaties al helemaal. Nooit een hoog woord opgevangen daar in die wieg. Dat was dan toch positief. Hij vertrok vroeg en kwam laat terug van de fabriek. Dankzij een boterbriefje van de pastoor kon hij na de oorlog aan de slag op den Bell. Hij bracht tot de laatste cent die hij verdiende naar zijn kroost en verteerde deze niet aan drank zoals hij thuis zo vaak moet gezien hebben.
Na de kunst van het stappen in de beentjes te hebben zou in m'n onwetendheid stilletjesaan wat verandering komen en kon het besef rijpen van over een vader te beschikken.
De wederhelft van Jan Zat, mijn grootmoeder langs vaders kant dus, was Ons Groot. Dat mens heb ik nooit gekend want ze stierf kort voor mijn geboorte. Volgens één van mijn zussen was het een heel braaf mens. Een volksmens dat reeds van op haar 7 jaar moest gaan dienen in een rijke familie. Ze kon op die leeftijd zelfs haar werkschortje nog niet zelf dichtknopen. Niettegenstaande ze nooit naar school is geweest was ze helemaal niet dom. Ze stal kennis met haar ogen. Ze observeerde de kennissen van 'Meneer en Madame' en merkte dat wanneer ze de krant wilden lezen daarvoor een bril opzetten. Daaruit concludeerde ze dat je met een bril op te zetten misschien zou kunnen lezen ? Zo heeft ze zichzelf leren lezen. En later troffen mijn zussen haar lectuur aan wanneer ze haar een bezoekje brachten. Geen Jerry Cottons lagen daar maar serieuze turven van Dostojewski en Emile Zola. Ze woonde in een kelderwoning dat mens. Onder de naam Marie van 't Kelderke was ze gekend in haar buurt. Een volksbuurt, de Kwetterwei genaamd. Ik vermoed dat die buurt zich ergens situeerde in de Handelstraat in Antwerpen. Nu een buurt die hoofdzakelijk Maghrebijnse bewoners huisvesting biedt. Zo mijn roots worden hiermee al aan één kant blootgelegd. De andere had ook zijn charme !
Zo, de naam voor dat ventje was gekend en de uitverkorenen om respectievelijk Peter en Meter te worden waren dat eveneens. Mijn meter zou de zus van onze Va worden. Marie een dochter van Ons Groot. Dat was dikke Tante Marie. Ik vrees dat dat mens meer dan 150kg woog ocharme. Vroeger jaren moet ze een heel knap meisje geweest zijn met donkere karbonkelogen en ravenzwarte lokken. Dat ze daarmee aantrek had bij de haantje de voorstes leed geen twijfel. Cois van Breedam, haar man en tevens kleurrijk volksfiguur, moet die kwaliteiten in zich gehad hebben. Althans, dat werd me verteld. Tijdens de oorlog liep hij met revolvers over de daken vertelde zijn kleinzoon Gie me ooit. Jarenlang was hij portier geweest in de Sans Soucis. Dit etablissement was een stripteasebar van 'niveau' waar hij veel geld verdiende en er evenveel liet rollen. Trek de gordijnen dicht, doe de deur op slot en laat ze dan allemaal maar eens voor mij dansen. Op zijn sterfbed in een huizeke van de Lange Batterijstraat, eigendom van de toenmalige Openbare Onderstand blies hij laatste adem uit met de glimlach op de lippen. 3 spaarboeken lagen onder zijn kopkussen. Op elk boekje stond welgeteld 1 frank spaargeld. Hij maakte een bij zijn sterfbed aanwezig nonneke attent op de erfenis die hij voor de bruiden van Christus in petto had en wees daarbij pragmatisch naar zijn kopkussen. Toen ze de boekjes onder het kussen uitgristte vertelde hij haar dat hij zo graag haar smoeleke wilde zien glunderen als ze haar buit taxeerde ! Straffe mannen daar uit die hoek van mijn familie. De Cois stierf met de glimlach.
Kwatongen beweerden tijdens de bezetting dat Tante Marie met den Duits te doen had gehad. Ik kan het niet weten maar ik vond het een smakelijk mens en bewonderde fel haar werptechniek met flessen limonade naar de 'Gie'. Dat was haar kleinzoon. Door haar gewicht kon ze hem niet achternazitten als hij niet wou luisteren. Een fles Colibri of Vigna Limonade met nog zo'n stenen kantelstop en rood rubberen afsluitringetje stonden steeds naast haar zetel. Het waren uitgelezen projectielen die binnen haar handbereik lagen. Voor de Gie had ze de zorg nadat haar dochter Yvonne enkele scheefgelopen relaties achter de rug had. Ik noemde haar Tante Yvonne want, wist ik toen veel dat ze eigenlijk een nicht was. Ik mocht haar geen tante meer noemen van mijn moeder. Dat was te familiair. Tante Yvonne, een lief mens die het grootste deel van haar leven met een kwakkele gezondheid af te rekenen had. Alle miserie was voor haar begonnen met pillen te nemen voor een dieetkuur. Ook zij had aanleg om de corpulente toer op te gaan net zoals haar moeder. Een kwakzalver zou haar pillen aan de hand hebben gedaan met de koppen van een lintworm er in. Toen zou de miserie begonnen zijn. Ik citeer maar van horen vertellen. Gie haar zoon was enkele jaren ouder dan ik. Ik benijdde hem later in mijn vroege jeugd wel om zijn tot de jongensfantazie sprekend speelgoed. Loodjesrevolvers, bommekes, cowboykleren, dinky toys, diabololoodjes, pennemessen en pistonnekes. Hetgeen me nog het meest de ogen uitstak was zijne mecano. Voor zoiets was er bij ons geen geld en volgens ons Ma waren 'pennemessen en looikesrevolver's' het gerief van 'soort' en straatjoeng. Ons Ma pakte wanneer ze er de kans toe zag dat 'speelgoed' dan ook af. Dat verdween dan steevast ergens in een rioolputteke zodat teruggave niet meer mogelijk was. Het bevorderde geenszins de verstandhouding tussen ons Ma en Tante Marie. De Gie maar bleiten natuurlijk om het geleden onrecht wat hem uiteindelijk weer een fles limonade naar zijn kop kostte omdat hij niet meer wilde ophouden met zagen. Ik denk niet dat ons Ma in de Gie zijn bovenste schuif heeft gelegen.
Onze Gie zijn biologische vader Paul Heylen, waarschijnlijk toen nog de wettige echtgenoot van Tante Yvonne, zou mijn peter worden. Tante Marie en Paul haar toenmalige schoonzoon ... Peter en Meter dus. De doopplechtigheid vond plaats in de kapel van het Mariagasthuis. Een doopfeestje zal er wel niet af gekund hebben. Tante Marie moet het zowat verkorven hebben bij mijn moeder want volgens haar kon er nog geen 'koemeke koffe' af bij een bezoekje. Bovendien stuurde mijn peter zijn kat naar de hele ceremonie. Toen ik wat groter was en vragen begon te stellen werd mij gezegd dat ik geen peter had maar een lap peter, een symbolische vervanger. Wie dat dan weer was heb ik nooit geweten. Ik mocht niet te veel vragen stellen rond familiekwesties en moest leren mijn manieren te houden. Die familiezaken hebben vanuit het standpunt van ons ma altijd nogal vrij gevoelig gelegen. Zeker op deze van de aangetrouwde kant liet ze zich nogal laatdunkend uit. Ik heb nooit anders geweten. Ik vermoed dat haar houding ten opzichte van het volksere karakter van de aangetrouwde kant en haar uitspraken over hen me onbewust hebben gevoed met de foute opvatting dat afkomst en opleiding bepalend zijn voor het gehalte aan menselijkheid dat elk individu in zich meedraagt. Ach, weet je veel als je pas geboren bent ! Later zouden er nog richtlijnen bijkomen hoe je je tegenover 'Dat soort volk' moest opstellen.
Mijn wieg heeft in de houten huizekes van Berchem gestaan. Van een paleis kan je moeilijk spreken. En als ik al een wieg had, ik kan het me niet meer herinneren. De houten huizekes waren eveneens een arbeiderswijk. Deze wijk lag in de uitbreidingstraat zo ongeveer tussen Berchem Kerk en de oprit naar de E19 iets verderop. Ze hebben moeten wijken bij de aanleg van de Ring rond Antwerpen. Lang heb ik er niet gewoond want kort daarop werd er verhuisd naar de Leemputstraat achter de statie van Berchem. Voor de omgeving kon ons Tatteke, het leeftijdsverschil in acht genomen, best mijn moeder zijn ! Kwaadsprekerij in de buurt stak de kop op. Maar toen, nog volop in mijn prille postnatale leeftijd, kon ik mij nog niet veel aantrekken van de kwalijke allusies die gemaakt werden door buren en kennissen.
Daar in die Leemputstraat waren een vijftigtal "sociale woningen", opgetrokken door de "Naamlooze Bouwmaatschappij van Burgershuizen van het Oosten" ten behoeve van kleine bedienden en beter gesitueerde arbeiders, Het betrof eenheidsbebouwing in neoclassicistische stijl waarvan de oudste reeks huizen, Leemputstraat 35-73, werd aangevraagd in 1890. Wij woonden in 41. Mijn 2de oudste zus, ons Mariette, woont nog steeds in die straat. Ze heeft er trouwens haar man leren kennen, die woonde in 28. Nog steeds wordt daar wanneer er naar mensen wordt gevraagd, direct een link gelegd met een huisnummer. Wie meneer ? Ha, dat is die van 52 ... en zijn moeder woont in 39. Heb je hem nodig ? Ga dan maar eens bellen bij die van 54, daar zit hij gewoonlijk. Grappige toestand. Die oude huisjes zijn nu volledig gerenoveerd en zijn veel geld waard.
Daar stonden ze nu in de Leemputstraat Ons Ma en Onze Va met hun 4 dochters en ne kleine bleiter. M'n jongste zuster, nog geen 2 jaar ouder, vroeg ook nog alle aandacht. Ons Tat de oudste liep al op vrijersvoeten en had trouwplannen , ons Mariette, 2 jaar jonger dan ons Tat, zag het volgens mij helemaal niet meer zitten. Ons Marietteke ... kon ik ook niet gezegd krijgen en dat werd 'Petteke' Je moet weten dat Ons Ma wat last had van hypochondrische trekjes die te pas en te onpas werden aangehaald om de oudste dochters in de rol van surrogaatmoeders te duwen. Aan de hand van ladingen 'Poeierkes De Man' ten huize Jan moesten de gezinsleden de fysieke toestand van ons Ma kunnen inschatten en zich dienovereenkomstig gedragen. Draainissen was het toverwoord en poeierkes opgelost in een glaasje water de toverdrank. Waarschijnlijk zal de zorg over ons 2-jarig 'Teirdeke', dat was ons Gerda haar koosnaampje, reeds flink op ons Petteke haar centraal zenuwsysteem gewerkt hebben. Mijn komst daar bovenop moet de druppel geweest zijn om het ouderlijk dak vaarwel te zeggen. De mogelijke druppel kon misschien wel gezocht worden in een melkstoop. Bij het vervangen van mijne pisdoek door ons Annie, zus nr3, moet ik een straal in de melkstoop hebben gelost. Ons Annie niks gezegd en achteraf moet ons Mariette van die melk hebben gedronken. Was dit de druppel en tegelijkertijd de reden maar ze ging dienen bij een Jodin. Zo was ze van dat "lastig joenk en dienen bleiter" vanaf. Lang heeft ze haar liedje daar niet gezongen want na een paar dagen jammerde ze om terug te mogen komen. Ze moest er de vuile was en nog allerhande smerig werk doen van dat Joods gezin en dat gedoe lag zowaar nog een paar treden hoger dan de drempel van haar verdraagzaamheid. Ze mocht terug komen van ons Ma. Nu, ik verschiet dat die vlieger opging.
En toch, ons ma zorgde goed voor haar kinderen. Heel goed zelfs. Ik kan niet geloven dat ik ooit een papfles zou gemist hebben of een truike te weinig aan zou gehad hebben bij kouder weer. Nee, ons Ma zorgde er wel voor dat er geen gemis was in de basisbehoeften van haar kleinste mannen. Ze was een kloek voor haar kindjes. Zolang ze klein waren gedroeg ze zich als een leeuwin die vechtensklaar haar welpjes beschermd. En heel bezorgd. Nooit een klets gehad in deze periode. Jalouzie stak op wanneer vreemden haar klein mannen wilden aanhalen of nog maar simpelweg over hun bolleke streelde. Ze moesten met hun poten van haar kinderen blijven. Ja ze was een koesterende moeder voor haar kroost ! Maar ze mochten niet groot worden. Ze moesten klein blijven. Het woord "fastide" dat al eens in de huiskamer weerklonk en over mijn wieg waaide was voor mij nog weinig betekenisvol. Het sloeg dan wel op mijn zussen maar het werd toch al in de paar hersencellen die ik ter beschikking had geregistreerd. Er werd al volop aan een blauwdruk gewerkt in dat breintje. In die prille periode van mijn bestaan kan ik me jammer genoeg het bestaan van een vader niet herinneren. Het benul ontbrak en negatieve connotaties al helemaal. Nooit een hoog woord opgevangen daar in die wieg. Dat was dan toch positief. Hij vertrok vroeg en kwam laat terug van de fabriek. Dankzij een boterbriefje van de pastoor kon hij na de oorlog aan de slag op den Bell. Hij bracht tot de laatste cent die hij verdiende naar zijn kroost en verteerde deze niet aan drank zoals hij thuis zo vaak moet gezien hebben.
Na de kunst van het stappen in de beentjes te hebben zou in m'n onwetendheid stilletjesaan wat verandering komen en kon het besef rijpen van over een vader te beschikken.